Oude verhalen van Fortella

In de oude verhalen van Fortella wordt verteld hoe de wereld is geworden zoals zij nu is. Het eerste verhaal gaat over Frederik, een bijzonder ernstige poortwachter, en Valen, de Nubbie die zijn keurige leven volledig overhoophaalde.

Frederik en de Nubbie die niet wegbleef

Er was eens, lang voordat mensen en Nubbies begrepen dat ze bij elkaar hoorden, een jonge poortwachter die Frederik heette.

Frederik was de jongste poortwachter die Fortella ooit had gehad. Hij was niet de grootste en zeker niet de sterkste, maar niemand kon een sleutelbos zo ernstig dragen als hij. De zware ring hing aan zijn riem en rinkelde bij iedere stap.

Iedere ochtend controleerde Frederik de zeven sloten van de stadspoort. De eerste zes controleerde hij tweemaal. Het zevende driemaal, want iemand die bij het laatste slot slordig werd, had volgens Frederik de eerste zes net zo goed open kunnen laten.

De andere bewoners vonden hem betrouwbaar. Zijn jas zat altijd keurig dicht, zijn laarzen glommen en hij kwam nooit te laat. Alleen zijn haar weigerde zich aan zijn regels te houden. Hoe zorgvuldig hij het ook kamde, boven op zijn hoofd bleef één pluk overeind staan.

Frederik was trots op zijn taak. Ooit wilde hij de beste poortwachter worden die Fortella had gekend. Hij wilde laten zien dat hij sterk genoeg was om de stad te beschermen en verstandig genoeg om geen hulp nodig te hebben.

Wat Frederik liever niet vertelde, was dat hij bij ieder onbekend geluid even schrok. Op zulke momenten ging zijn hart sneller kloppen en stond hij onmiddellijk extra rechtop.

Na zijn laatste controle klom Frederik iedere ochtend naar de wachttoren. Vanaf het platte dak kon hij bijna heel Fortella overzien.

De oude huizen stonden dicht tegen elkaar, alsof ze achter de vestingmuur bescherming zochten tegen de wind. Uit de schoorstenen kringelde rook en vanuit de bakkerij dreef de geur van warm brood tussen de straten door. Beneden sloeg de smid zijn eerste hamer op het aambeeld. Bij de haven maakten vissers hun boten los.

Rondom Fortella lag een brede slotgracht. Een houten brug verbond de stadspoort met het pad langs de rietvelden. Daarachter lagen lage heuvels en drassige graslanden, die in de herfst koperbruin en goud kleurden. Op heldere dagen kon Frederik in de verte het water zien glinsteren.

Daar, buiten de muren, verschenen soms Nubbies.

Het waren kleine lichtwezens met zachte oren, korte pootjes en een staart waaraan een lichtje bungelde. Ze bewogen meestal in groepjes. Tenminste, dat probeerden ze. De voorste veranderde vaak plotseling van richting, waarna de rest tegen hem aan botste en het hele gezelschap als een bolletje door het gras rolde.

De bewoners van Fortella waren aan hun verre lichtjes gewend geraakt. Nubbies deden niemand kwaad en bleven gewoonlijk aan de overkant van de rietvelden. Soms waagde er één zich tot aan de slotgracht. Dan keek hij nieuwsgierig naar de hoge muur, schrok van zijn eigen spiegelbeeld in het water en rende snel weer terug.

Frederik hield hun bewegingen nauwkeurig bij in het wachtboek.

Zes Nubbies gezien. Geen gevaar. Nauwelijks richtinggevoel.

De volgende ochtend zag Frederik geen enkel lichtje in de rietvelden. Hij schreef het zorgvuldig in het wachtboek.

Geen Nubbies gezien. Uitstekende ontwikkeling.

Tevreden liep hij naar beneden om de stadspoort te openen. Hij had het eerste slot net losgemaakt toen achter hem een zacht geluid klonk.

“Nub?”

Frederik draaide zich om.

Midden op de brug zat een Nubbie.

Van dichtbij zag het wezen er kleiner uit dan Frederik had verwacht. Zijn oren waren net iets te groot voor zijn kop, zijn poten leken niet allemaal tegelijk te weten welke kant ze op moesten en het lichtje aan zijn staart zwaaide nieuwsgierig heen en weer.

“Jij hoort aan de andere kant van de rietvelden,” zei Frederik.

“Nub,” antwoordde de Nubbie.

Hij zette een stap naar voren.

“Nee, terug.”

De Nubbie zette nog twee stappen naar voren. Mogelijk kende hij het verschil tussen terug en vooruit niet.

Frederik wees streng naar buiten. De Nubbie volgde zijn vinger met zijn ogen, draaide een volledig rondje en ging toen boven op Frederiks laars zitten.

Frederik zuchtte en maakte het tweede slot open. Daarna het derde, het vierde en het vijfde. De Nubbie keek aandachtig toe. Bij het zesde slot ging hij rechtop staan. Bij het zevende begon hij opgewonden te trippelen.

“Dit zijn sleutels,” legde Frederik uit. “Ze zijn belangrijk. Je blijft ervan af.”

De Nubbie keek naar de sleutelbos. Toen naar Frederik. Daarna opnieuw naar de sleutelbos.

“Nub-nub,” zei hij plechtig.

Dat klonk verrassend veel als: Bij mij zijn ze veilig.

Frederik draaide het laatste slot open. Op hetzelfde moment sprong de Nubbie omhoog, greep de sleutelbos tussen zijn voorpoten en schoot tussen de opengaande deuren door.

“Nee!”

Frederik rende achter hem aan.

De Nubbie had de sleutels blijkbaar inderdaad belangrijk gevonden. Zo belangrijk zelfs dat hij onmiddellijk besloot ze op de veiligste plek van heel Fortella te verstoppen.

Frederik volgde het gerinkel van de sleutelbos door de hoofdstraat. Het spoor eindigde bij de bakkerij, waar de Nubbie boven op een meelton zat. De sleutels lagen diep onder het meel verborgen.

“Nub,” zei hij tevreden.

“Ze waren al veilig aan mijn riem,” zei Frederik.

De Nubbie keek naar de witte afdruk van de sleutelbos op Frederiks jas en leek daar anders over te denken.

Frederik viste de sleutels uit het meel, tilde de Nubbie op en droeg hem terug naar de brug. Daar zette hij hem neer.

“Buiten de muren,” zei hij. “Daar hoor jij.”

De Nubbie liet een klagend geluid horen dat ongeveer als vaa-lèn klonk.

“Valen?” vroeg Frederik. “Is dat je naam?”

De Nubbie sprong blij omhoog, miste bij het neerkomen de brug en verdween met een plons in de slotgracht.

Frederik trok hem aan zijn staart uit het water.

“Goed dan, Valen. Maar je blijft buiten.”

De volgende ochtend werd Frederik wakker van de poortklok. Valen hing met alle vier zijn poten aan het touw en luidde alsof een vijandelijk leger naderde.

Het gevaar bleek een slak op de onderste trede van de wachttoren.

Frederik bracht Valen voor de tweede keer naar de overkant van de rietvelden.

Nog diezelfde middag keerde hij terug. Ditmaal besloot Valen dat de stad alleen werkelijk veilig was wanneer niemand erin of eruit kon. Hij trok de poort dicht, schoof de zware grendel ervoor en ging er trots bovenop zitten.

Aan de buitenkant stonden twee vissers, een groenteboer en Frederik.

“Nub-nub!” riep Valen door het sleutelgat.

Frederik moest door een smal raam naar binnen klimmen. Zijn jas bleef aan een haak hangen en zijn ongehoorzame haarpluk verscheen als eerste aan de andere kant.

Dat was de derde keer.

Frederik droeg Valen voorbij de rietvelden, over het waterpad en helemaal naar de verste heuvel.

“Ga terug naar de andere Nubbies,” zei hij. “En kom nu niet terug.”

Valen bleef zitten toen Frederik wegliep.

De volgende ochtend hingen de sleutels nog precies waar Frederik ze had achtergelaten. Niemand luidde de poortklok. De slak bereikte zonder problemen de vierde trede.

Alles verliep zoals het hoorde.

Toch keek Frederik telkens naar zijn lege laars, waar Valen graag bovenop had gezeten. Tijdens zijn ronde miste hij het getrippel achter zich. Zelfs de stilte in de wachttoren klonk verkeerd.

In het wachtboek schreef hij:

Geen Nubbies gezien.

Daaronder voegde hij na lang twijfelen toe:

Geen uitstekende ontwikkeling.

Nog voor de avond viel, rende Frederik naar de verste heuvel. Valen zat nog op dezelfde plaats, met zijn rug naar Fortella. Het licht aan zijn staart brandde zo zwak dat Frederik het nauwelijks kon zien.

“Valen?”

Eén oor kwam langzaam overeind.

“Je maakte overal een rommeltje van,” zei Frederik. “Je verstopte mijn sleutels, luidde alarm om een slak en sloot mij buiten mijn eigen stad.”

Valens oor zakte weer.

“Maar zonder jou,” vervolgde Frederik, “is alles misschien iets te veel zoals het hoort.”

Valen draaide zich om en rende op hem af. Halverwege struikelde hij, rolde de heuvel af en botste met zijn kop tegen Frederiks laarzen.

Op dat moment begonnen hun harten in hetzelfde ritme te kloppen. Het bleke licht aan Valens staart werd warmgeel en Frederiks vreugde was voor iedereen zichtbaar.

Zo ontstond de eerste verbinding tussen een mens en Nubbie.

Samen keerden ze terug naar Fortella. Maar vlak voor de poort schoot Valen plotseling weg.

Frederik voelde hoe zijn hart meteen een stuk zwaarder werd. Nu wist hij hoe het voelde wanneer iemand die bij je hoorde zomaar verdween.

Toen begon de grond te dreunen.

Frederik schrok en ging automatisch extra rechtop staan.

Over de heuvel verscheen Valen. Achter hem renden tientallen Nubbies, voor zover hun poten het met elkaar eens konden worden. Ze buitelden over het pad, rolden door de rietvelden en stormden door de openstaande poort.

De Nubbie bij de bakker begon onmiddellijk het deeg én de muts van de bakker te kneden. Die van de smid verzamelde alles wat mogelijk gerepareerd moest worden, waaronder drie lepels en een volkomen gezonde kip.

Voor de zevende ochtend aanbrak, had iedere Nubbie iemand gevonden bij wie hij steeds wilde terugkomen. Zodra hun lichten elkaar herkenden, kregen hun staarten kleur en werd zichtbaar wat mensen tot dan toe alleen vanbinnen hadden gevoeld.

Frederik bleef nog jarenlang de zeven sloten van Fortella controleren.

Alleen zijn hart deed hij nooit meer op slot.